Ga naar het hoofdmenu Ga naar het paginamenu
Californische meestergitarist die weleens de etnograaf
van de rock wordt genoemd, vanwege zijn vermogen om obscure composities uit traditionele
muziekstijlen nieuw leven in te blazen. Geboren en getogen in Los Angeles, probeert hij als kind al
op akoestische gitaar met de folk-bluesplaten van zijn vader mee te spelen. Nadat hij zich eerst
het fingerpickin'-spel heeft eigen gemaakt, werpt hij zich op de bottleneck-techniek, waarbij hij
het een en ander opsteekt van de zwarte Delta-bluesartiesten. In '64 komt hij in contact met Taj
Mahal, met wie hij The Rising Sons opricht, die blijkens het pas decennia later uitgebrachte The
Rising Sons een voor die dagen ongekende mix speelt van rock & roll en country-blues.
De carrière van de groep komt nooit echt van de grond, reden waarom Cooder emplooi zoekt als
studiomuzikant. Eerst speelt hij mee op Tanyet van de raga-rockgroep rond collega Larry Knechtel,
vervolgens doet hij sessies voor uiteenlopende artiesten als Captain Beefheart (op Safe As Milk is
hij zelfs even lid van de Magic Band, zie Captain Beefheart), Gordon Lightfoot en Paul Revere
& The Raiders en verder is hij te horen op het debuutalbum van Little Feat, de albums
Let It Bleed en Sticky Fingers van The Rolling Stones, en de soundtrack van de Mick Jagger-film
Performance. Begin jaren zeventig debuteert hij met Ry Cooder, een verzameling unieke
adaptaties van nummers uit de jaren '30, de tijd van de Amerikaanse depressie. Op Into The
Purple Valley, door de Nederlandse critici uitgeroepen tot beste album van '72, worden die kennis
en die consciëntieuze interpretatie nog op een hoger plan getild. Boomer'S Story en Paradise And
Lunch zijn van een wat minder niveau, maar met Chicken Skin Music breidt Cooder met assistentie
van accordeonist Flaco Jimenez en gitarist Gabby Pahinui zijn terrein verder uit naar respectievelijk
musica norteña en Hawaiiaanse muziek. Op Jazz dienen orkestleider Bix Beiderbecke en
meestergitarist Joseph Spence als inspiratie, terwijl Bop Till You Drop een uitgesproken rhythm
& blues-album is met versies van Arthur Alexander's Go Home Girl en Elvis Presley's
Little Sister. The Long Riders is de soundtrack van de gelijknamige film over de beruchte Jesse
James/Cole Younger-gang, waarbij Cooder samen met gitarist David Lindley traditionele
volksmuziek uit de jaren zeventig van de negentiende eeuw tamelijk authentiek uitvoert. De
uitstapjes richting reggae en funk op Border Line, waarop John Hiatt meedoet, worden niet door
iedereen even enthousiast ontvangen, maar The Slide Area haalt weer een algemeen erkend hoog
niveau. The Border bevat o.a. door Hiatt en Freddy Fender uitgevoerde liedjes voor een film die
zich afspeelt aan de grens van de Verenigde Staten en Mexico. Vermeldenswaard is Cooders
medewerking aan Money And Cigarettes uit '83, een van de betere platen van Eric Clapton. Als
maker van sfeervolle soundtracks krijgt Cooder in '85 eindelijk eer met Paris, Texas, voor een film
van Wim Wenders die op het jaarlijkse festival van Cannes wordt onderscheiden met de Gouden
Palm en bijgevolg in Europa volle zalen trekt. Cooder heeft dan inmiddels erkend dat voor hem het
schrijven en spelen van filmmuziek lucratiever is dan het maken van reguliere platen. Ronduit
schitterend is Crossroads, een onvervalste bluesplaat, waarvoor Cooder samenwerkt met veelal
obscure zwarte muzikanten en zangers. De muziek varieert van gospel via country-blues tot
rhythm & blues en klinkt door de workshop-achtige opzet al even afwisselend.
Aangemoedigd door het succes van Los Lobos besluit hij in '87 onverwacht de draad van zijn
solocarrière weer op te pakken. Hij formeert the Moula-Banda Rhythm Aces, een negental
muzikanten en zangers met wie hij in de loop der jaren diverse malen eerder samenwerkt, onder
wie accordeonist Flaco Jimenez, toetsenist Van Dyke Parks en vocalisten Terry Evans en Bobby
King. Na enkele gelegenheidsoptredens in Californië duikt het gezelschap de studio in om Get
Rhythm vrijwel live op te nemen. Het ronduit opzwepende samenspel en in het bijzonder de
vlijmscherpe elektrische slidegitaarpartijen van Cooder zelf geven het geheel, variërend van
calypso en musica norteña tot en met gospel vermengde rhythm & blues een zekere
onweerstaanbaarheid mee. Datzelfde jaar begeleidt hij John Hiatt op diens meesterwerk Bring The
Family, samen met zijn vaste drummer Jim Keltner en bassist Nick Lowe, welk viertal in '93 onder
de naam Little Village een eigen leven gaat leiden. Zijn reputatie als etnograaf bevestigt Cooder
weer eens met Geronimo: An American Legend, de muziek voor een biografische film over het
legendarische opperhoofd Geronimo, waarvoor hij naast George Clinton en Van Dyke Parks ook
een groep 'keelzangers' uit het Russische Tuva inschakelt, wier vocale stijl exact overstemt met
die van eertijds de rituele gezangen van de Amerikaanse Indianen. Samen met de uit India
afkomstige slidegitarist Vishwa Mohan Bhatt en twee percussionisten, onder wie zijn zoon
Joachim, neemt hij het sfeervolle A Meeting By The River op, dat opnieuw aantoont hoezeer hij
openstaat voor alle vormen van akoestische wereldmuziek. Nog spraakmakender en bovendien
commercieel verrassend succesvol is zijn samenwerking met Ali Farka Touré, de John Lee Hooker
van Mali. Tot veler verrassing gaat Cooder samen met zoon, David Lindley en diens dochter in de
lente van '95 op tournee door Europa, waarbij hij Nederland aandoet voor een tweetal
uitverkochte 'kamerconcerten'. Zo'n twee jaar later volgt het, naar eigen zeggen, absolute
hoogtepunt van zijn carrière, een in Havanna opgenomen plaat met een gelegenheidsgroep,
bestaande uit bejaarde Cubaanse muzikanten. Dat wakkert wereldwijd de interesse voor
Cubaanse muziek aan. Cooder raakt betrokken bij allerlei zijprojecten van 'de club', waaronder
een soloplaat van zanger Ibrahim Farrer, en de film die Wim Wenders hierover maakt. Samen met
Cubaanse stergitarist Manuel Galbán verdiept Cooder zich in '02 nog verder in de Cubaanse
traditie met Mambo Sinuendo, een plaat waarop exotische dansmuziek, zoals die in de jaren vijftig
in uitgaansgelegenheden door orkesten gespeeld werd, modern geinterpreteerd wordt.
Vervolgens stort hij zich op het werk aan Chavez Ravine, een conceptalbum over de gelijknamige
oude Latino-wijk in Los Angeles, bijgenaamd The Poor Man's Shangri-La, die in de jaren '50 tegen
de grond moet om plaats te maken voor sociale woningbouw, maar waar uiteindelijk het stadion
van de Yankee Dodgers verrijst. Cooder reconstrueert die geschiedenis op historisch
verantwoorde wijze in eigen verhalende nummers gecombineerd met overgeleverde liedjes in
het Spaans en het Engels. Daarbij spoort hij nog in leven zijnde zangers op als Lalo Guerrero, Ersi
Arvizu en Little Willie G., terwijl alle muziekstijlen die destijds in de wijk klonken binnen het
sfeerrijke geheel aan bod komen. Hoewel minder meeslepend dan zijn vroegere meesterwerken,
mag Chavez Ravine nochtans gelden als een magnus opus. Why Don'T You Try Me Tonight en River
Rescue/The Very Best Of zijn verantwoorde compilaties van Ry Cooder's reguliere platen. Het
dubbelalbum Music By Ry Cooder geeft een representatief overzicht van zijn veelzijdigheid als
baanbrekend filmmuzikant.
Bron: OOR Popencyclopedie
Weet wat je bestelt
dankzij onze filmtrailers!
Ga naar het hoofdmenu Ga naar het paginamenu Ga naar het begin van deze pagina