Bagdad, januari 1991. De Golfoorlog barst los. De schilders Nuha Al-Radi besluit een dagboek bij te houden. Tweeënveertig dagen lang, vierentwintig uur per etmaal, zullen tienduizenden geallieerde 'precisiebombardementen' het leven in de stad tot een hel te maken. Dit ingetogen verslag toont de onmogelijkheid en de onmenselijkheid van een 'schone' oorlog. Een aangrijpend relaas over lawaai, vuil, onzekerheid, wanhoop en angst.
Recensie(s)
NBD|Biblion recensie
In januari 1991 barst de Golfoorlog los. De in Bagdad verblijvende Irakese schilderes Nuha Al-Radí besluit een dagboek bij te houden. Tweeënveertig lange dagen vol lawaai, onzekerheid, vuil, wanhoop en angst volgen er voor de inwoners van Bagdad als gevolg van de bombardementen van de geallieerden. Op ingetogen wijze weet Nuha Al-Radí in een toch aangrijpend relaas de onmogelijkheid en onmenselijkheid van een zogenaamd 'schone' oorlog te schetsen aan de hand van alledaagse dingen. Het dagboek vormt een goed tegenwicht tegen de beelden en verhalen die het westen via de media voorgeschoteld kreeg.<br/>(Biblion recensie, Marianne Hermens.)