Ga naar het hoofdmenu Ga naar het paginamenu
intrigerende materie van H.H. ter Balkt en Jacques Hamelink
Nederlands - Hardcover
512 pagina's | Historische Uitgeverij Groningen | september 2011
4.0 van de 5 (1 reviews)Vandaag voor 17:00 uur besteld is morgen in huis
14 oktober 2011 | Door: Weiland | 50-59 jaar | Nijmegen
Drie van mijn lievelingsdichters bij elkaar. De jongste, Gerbrandy, beent de ouderen uit, legt hen af, balsemt hen en doet hen verrijzen in volle pracht. En dat verdienen ze, ter Balkt en Hamelink. Een eerbewijs dat ook op Gerbrandy zelf afstraalt: even terecht want het is een helder, meer dan leerzaam, erudiet èn speels, en vooral ook verstandig boek. Gerbrandy is er doctor mee geworden.
Al lezend vroeg ik me wel af wat we opschieten met alle wetenschap. Laat ik meteen met een voorbeeld beginnen: in een gedicht van Hamelink figureert een keizer die met een “cape van een Maagd” voor zijn leger uit ten strijde trekt. Ik kende geen van de feiten aangaande Byzantijnse keizers en hun erotische en religeuze voorkeuren die Gerbrandy aan het licht heeft gebracht. Maar toch had het beeld, toen ik het jaren geleden las, leeg als het dus was, een zuigende kracht, die het gedicht krachtig maakte. Of leeg: ik had bijvoorbeeld wel weet van galante tournooiridders die hun lans pas velden als de handschoen van hun Vrouwe op hun helm bevestigd was. Het grappige is dat deze feiten van Gerbrandy die associatieve beleving onverlet laten, en voor mij als lezer niets wezenlijks toevoegen. Leuk om te weten vind ik het wel.
Waar ik kennis ontbeer heeft mijn verbeelding vrij spel, uitgedaagd door de dichters schep ik mijn eigen mythologieën, puttend uit wat ik al wel weet, las, zag, onderging en doordacht had. Wordt de kennis alsnog aangevuld, zoals nu, lezend in De Gong en de Rookberg, dan worden deze mythen vervangen –geheel of gedeeltelijk- door de verhalen van de geschiedenis en de kunsten, op zich ook een weefsel van ware vertellingen en valse feiten. Dat is fascinerend, als spel, waarin de dichter met zijn gedicht meespeelt, maar of het noodzakelijk is? Ik leerde eigenlijk meer over schrijven dan over lezen.
Alleen feiten toevoegen is niet genoeg voor een “warmere” ervaring van het gedicht. De feiten moeten ook nog eens echt betekenis hebben voor de lezer. Allerlei feiten over Byzantijnse keizers blijven trivia voor mij. Dat ligt natuurlijk heel anders voor de classicus Gerbrandy, voor hem zijn het geen trivia. Toegevoegde feiten moeten in de leefwereld van de lezer passen, of deze verruimen. Feiten moeten zich bevinden binnen het krachtenveld van de beelden die de lezer heeft. Achtergrondkennis over Anna Komnena voldoet voor mij aan deze eis, een extra detail over de wijze waarop Karel de Stoute bleef op het veld van eer veel minder.
In de tweede helft van het boek gaat het over andere feiten: hoe zit een gedicht in elkaar? Opbouw (parallellie, cirkelloop), klank, ritme en rijm van velerlei allooi (ik wist niet dat er zoveel kon rijmen op zoveel manieren, omfloerst of openlijk), typografie, bladspiegel: dit alles maakt van tekst juist dìt gedicht. Dit gedeelte was voor mij als het roeren in, kokerellen aan, proeven van, een lievelingsgerecht dat ik langzaam aan het koken ben: wat een genot. En: ik weet steeds beter wat mij zo doet genieten. Maar ook hier weer een lichte twijfel: Gerbrandy roert zoveel aan, zo subtiel ook, dat ik me afvroeg wiens onderscheidingsvermogen deze genietingen nog aan zou kunnen.
Vervolgens is het Gerbrandy zelf die mijn vragen overneemt: wat hebben we er aan? En: is het allemaal wel zo? Hij relativeert het verwijzingen-gedoe door ook van de verwijzing een vorm-element te maken, zoals rijm dat ook is. Daar kan ik prima mee leven, het beeldende effect is belangrijker dan het feiten-aspect. En uiteindelijk bestemt hij het lot van het gedicht in de verbeelding van de lezer. Dat wist ik stiekem al, zie boven, maar nu krijg ik daar blijkbaar wetenschappelijke toestemming voor. Daar ligt een beetje mijn teleurstelling, maar misschien had ik toch –een beetje kinderlijk- een openbaring verwacht, die helemaal niet verwacht kàn worden.
In ieder geval is voor mij dit alles een reden te meer om me bevestigd te weten: deze dichters zijn zo ontzettend goed, alle drie.
Vond je deze review nuttig? Ja (0) | Nee (0) | Ongepast?
Selecteer één of meer kenmerken:
14 oktober 2011 | Door: Weiland | 50-59 jaar | Nijmegen
Drie van mijn lievelingsdichters bij elkaar. De jongste, Gerbrandy, beent de ouderen uit, legt hen af, balsemt hen en doet hen verrijzen in volle pracht. En dat verdienen ze, ter Balkt en Hamelink. Een eerbewijs dat ook op Gerbrandy zelf afstraalt: even terecht want het is een helder, meer dan leerzaam, erudiet èn speels, en vooral ook verstandig boek. Gerbrandy is er doctor mee geworden.
Al lezend vroeg ik me wel af wat we opschieten met alle wetenschap. Laat ik meteen met een voorbeeld beginnen: in een gedicht van Hamelink figureert een keizer die met een “cape van een Maagd” voor zijn leger uit ten strijde trekt. Ik kende geen van de feiten aangaande Byzantijnse keizers en hun erotische en religeuze voorkeuren die Gerbrandy aan het licht heeft gebracht. Maar toch had het beeld, toen ik het jaren geleden las, leeg als het dus was, een zuigende kracht, die het gedicht krachtig maakte. Of leeg: ik had bijvoorbeeld wel weet van galante tournooiridders die hun lans pas velden als de handschoen van hun Vrouwe op hun helm bevestigd was. Het grappige is dat deze feiten van Gerbrandy die associatieve beleving onverlet laten, en voor mij als lezer niets wezenlijks toevoegen. Leuk om te weten vind ik het wel.
Waar ik kennis ontbeer heeft mijn verbeelding vrij spel, uitgedaagd door de dichters schep ik mijn eigen mythologieën, puttend uit wat ik al wel weet, las, zag, onderging en doordacht had. Wordt de kennis alsnog aangevuld, zoals nu, lezend in De Gong en de Rookberg, dan worden deze mythen vervangen –geheel of gedeeltelijk- door de verhalen van de geschiedenis en de kunsten, op zich ook een weefsel van ware vertellingen en valse feiten. Dat is fascinerend, als spel, waarin de dichter met zijn gedicht meespeelt, maar of het noodzakelijk is? Ik leerde eigenlijk meer over schrijven dan over lezen.
Alleen feiten toevoegen is niet genoeg voor een “warmere” ervaring van het gedicht. De feiten moeten ook nog eens echt betekenis hebben voor de lezer. Allerlei feiten over Byzantijnse keizers blijven trivia voor mij. Dat ligt natuurlijk heel anders voor de classicus Gerbrandy, voor hem zijn het geen trivia. Toegevoegde feiten moeten in de leefwereld van de lezer passen, of deze verruimen. Feiten moeten zich bevinden binnen het krachtenveld van de beelden die de lezer heeft. Achtergrondkennis over Anna Komnena voldoet voor mij aan deze eis, een extra detail over de wijze waarop Karel de Stoute bleef op het veld van eer veel minder.
In de tweede helft van het boek gaat het over andere feiten: hoe zit een gedicht in elkaar? Opbouw (parallellie, cirkelloop), klank, ritme en rijm van velerlei allooi (ik wist niet dat er zoveel kon rijmen op zoveel manieren, omfloerst of openlijk), typografie, bladspiegel: dit alles maakt van tekst juist dìt gedicht. Dit gedeelte was voor mij als het roeren in, kokerellen aan, proeven van, een lievelingsgerecht dat ik langzaam aan het koken ben: wat een genot. En: ik weet steeds beter wat mij zo doet genieten. Maar ook hier weer een lichte twijfel: Gerbrandy roert zoveel aan, zo subtiel ook, dat ik me afvroeg wiens onderscheidingsvermogen deze genietingen nog aan zou kunnen.
Vervolgens is het Gerbrandy zelf die mijn vragen overneemt: wat hebben we er aan? En: is het allemaal wel zo? Hij relativeert het verwijzingen-gedoe door ook van de verwijzing een vorm-element te maken, zoals rijm dat ook is. Daar kan ik prima mee leven, het beeldende effect is belangrijker dan het feiten-aspect. En uiteindelijk bestemt hij het lot van het gedicht in de verbeelding van de lezer. Dat wist ik stiekem al, zie boven, maar nu krijg ik daar blijkbaar wetenschappelijke toestemming voor. Daar ligt een beetje mijn teleurstelling, maar misschien had ik toch –een beetje kinderlijk- een openbaring verwacht, die helemaal niet verwacht kàn worden.
In ieder geval is voor mij dit alles een reden te meer om me bevestigd te weten: deze dichters zijn zo ontzettend goed, alle drie.
Vond je deze review nuttig? Ja (0) | Nee (0) | Ongepast?
Betaal gemakkelijk met acceptgiro!
Ook daarom koop je bij bol.comGa naar het hoofdmenu Ga naar het paginamenu Ga naar het begin van deze pagina