Ga naar het hoofdmenu Ga naar het paginamenu
Beschouwingen Over De Natuurlijkheid Van Cultuur
Nederlands - Paperback
Ook verkrijgbaar als: Digitaal boek , Meer...
211 pagina's | Athenaeum-Polak & Van Gennep | midprice | september 2009
3.0 van de 5 (1 reviews)vandaag besteld, dinsdag in huis
Verkopen via bol.com
Ik heb dit artikel en wil het verkopen via bol.com.
27 januari 2012 | Door: Weiland | 50-59 jaar | Nijmegen
Tweeëntwintig stukken van Tijs Goldschmidt. Verschenen in diverse tijdschriften en kranten, opnieuw bewerkt, en gebundeld in dit boek. Om die reden had ik veruit de meesten in het verleden al gelezen. Ik herinner me deze essays als sprankelende plekken, vaak afstekend tegen de wat grijzere omgeving van met name de kranten. In de literaire tijdschriften staken ze ook af, vanwege de door de biologie aangedreven inhoud. In beide gevallen had Goldschmidt de charme van het lichtelijk recalcitrante, erudiet en een beetje tegendraads. Het mooie, en uiteindelijk rustgevende, van de evolutietheorie heb ik altijd gevonden dat “de mens” geen aparte plaats inneemt in de evolutie met hoogmoed of morele verplichting tot gevolg: we zijn ook maar een gooi van het door genen en omstandigheden gestuurde en weer vernachelde toeval. Succesvol, maar niet het eindpunt of het volmaakst (een Britse documentaire stelde enkele jaren geleden het meest volmaakte voortvloeisel van de evolutie voor: onze eigen katten, terecht). Goldschmidt was -en is- een van de denkers die mij steeds weer hierop wijst, het steeds weer dieper en anders onderbouwt. En: mij zicht geeft op de spirituele kant daarvan. Affijn, kranten gaan eigenlijk alleen maar over mensen, literaire tijdschriften kunnen niet buiten (in dubbele zin) de menselijke verbeelding. (Als je daar de kwaliteit van beoordeelt, dan gaat de evolutie blijkbaar op zijn zachtst gezegd langzaam.) Geen wonder dus dat de artikelen van Goldschmidt een beetje prikken, bijten, schuren, en soms rechtuit: aanpakken en onderuithalen.
Vandaar dat ik me gretig in “Kloten van de engel” verdiepte.
Maar een boek –waar de stukken nu in overleven- is een heel andere biotoop dan een periodiek. In het boek komt de nadruk te liggen op de rode draad, de diepere redenering, die het geheel bezielt en samenhoudt. Het tegendraadse gaat een beetje op in de uiteenzetting. Er blijven dan een drietal stukken over die het “corpus” neerzetten, de overige negentien nemen de rol op zich van speelse en erudiete illustraties, maar er zijn er een paar die nauwelijks ter zake doen. (Mijn drie: “Letterhout: fictie en non-fictie over de wildernis”; “Waterapenangst”; “De verbreiding van het neo-nietsisme”.)
De stelling van Goldschmidt: als je alles vanuit het grote geheel van de evolutie bekijkt, dan zie je dat natuur en cultuur naadloos in elkaar overlopen en elkaar overlappen: mens en dier evenzo, niet alleen qua genen, maar ook qua (sociaal) gedrag en (ritueel en moreel) handelen. Goldschmidt toont deze naadloosheid van cultuur en natuur op vele, steeds andere wijzen aan, steunend op wetenschap die er voor de bewijzen leverde en nog steeds levert. Hij brengt deze kennis in stelling tegen fundamentalisme en orthodoxe gelovigheid, voor zover dat geloof wordt geponeerd als zijnde de waarheid omtrent de werkelijkheid, daarbij uitgaande van de unieke positie van de mens, als hoogwaardig doel van de “evolutie”; tegen de wil om de scheiding tussen kerk en staat op te heffen waardoor je geen onderscheid meer zou kunnen tussen “artsen en oplichters, tussen academici en helderziende piskijkers”. Daartegenover stelt hij de sytematische twijfel van de wetenschap, hypothesen kunnen verworpen worden (methodologisch is dat zelfs het streven). De wetenschapper heeft de waarheid niet in pacht, hij kan alleen maar proberen stukje bij beetje verder te komen, en weer terug te vallen om opnieuw aan te zetten. En hij moet zich verantwoorden tegenover de gemeenschap.
De stukken zijn geschreven tussen 1999 en 2007. De eerste jaren van de 21ste eeuw vormen bij uitstek een periode waarin deze stellingname (én wetenschappelijke onderbouwing) meer dan actueel is. Als we niet uitkijken verliezen we onze cultuur en vervallen we tot een natuur waarvoor de buffels van de Serengeti (blz. 158) zich zouden schamen. Gelukkig hebben we bewakers van de kudde als Goldschmidt.
Vond je deze review nuttig? Ja (0) | Nee (0) | Ongepast?
Selecteer één of meer kenmerken:
27 januari 2012 | Door: Weiland | 50-59 jaar | Nijmegen
Tweeëntwintig stukken van Tijs Goldschmidt. Verschenen in diverse tijdschriften en kranten, opnieuw bewerkt, en gebundeld in dit boek. Om die reden had ik veruit de meesten in het verleden al gelezen. Ik herinner me deze essays als sprankelende plekken, vaak afstekend tegen de wat grijzere omgeving van met name de kranten. In de literaire tijdschriften staken ze ook af, vanwege de door de biologie aangedreven inhoud. In beide gevallen had Goldschmidt de charme van het lichtelijk recalcitrante, erudiet en een beetje tegendraads. Het mooie, en uiteindelijk rustgevende, van de evolutietheorie heb ik altijd gevonden dat “de mens” geen aparte plaats inneemt in de evolutie met hoogmoed of morele verplichting tot gevolg: we zijn ook maar een gooi van het door genen en omstandigheden gestuurde en weer vernachelde toeval. Succesvol, maar niet het eindpunt of het volmaakst (een Britse documentaire stelde enkele jaren geleden het meest volmaakte voortvloeisel van de evolutie voor: onze eigen katten, terecht). Goldschmidt was -en is- een van de denkers die mij steeds weer hierop wijst, het steeds weer dieper en anders onderbouwt. En: mij zicht geeft op de spirituele kant daarvan. Affijn, kranten gaan eigenlijk alleen maar over mensen, literaire tijdschriften kunnen niet buiten (in dubbele zin) de menselijke verbeelding. (Als je daar de kwaliteit van beoordeelt, dan gaat de evolutie blijkbaar op zijn zachtst gezegd langzaam.) Geen wonder dus dat de artikelen van Goldschmidt een beetje prikken, bijten, schuren, en soms rechtuit: aanpakken en onderuithalen.
Vandaar dat ik me gretig in “Kloten van de engel” verdiepte.
Maar een boek –waar de stukken nu in overleven- is een heel andere biotoop dan een periodiek. In het boek komt de nadruk te liggen op de rode draad, de diepere redenering, die het geheel bezielt en samenhoudt. Het tegendraadse gaat een beetje op in de uiteenzetting. Er blijven dan een drietal stukken over die het “corpus” neerzetten, de overige negentien nemen de rol op zich van speelse en erudiete illustraties, maar er zijn er een paar die nauwelijks ter zake doen. (Mijn drie: “Letterhout: fictie en non-fictie over de wildernis”; “Waterapenangst”; “De verbreiding van het neo-nietsisme”.)
De stelling van Goldschmidt: als je alles vanuit het grote geheel van de evolutie bekijkt, dan zie je dat natuur en cultuur naadloos in elkaar overlopen en elkaar overlappen: mens en dier evenzo, niet alleen qua genen, maar ook qua (sociaal) gedrag en (ritueel en moreel) handelen. Goldschmidt toont deze naadloosheid van cultuur en natuur op vele, steeds andere wijzen aan, steunend op wetenschap die er voor de bewijzen leverde en nog steeds levert. Hij brengt deze kennis in stelling tegen fundamentalisme en orthodoxe gelovigheid, voor zover dat geloof wordt geponeerd als zijnde de waarheid omtrent de werkelijkheid, daarbij uitgaande van de unieke positie van de mens, als hoogwaardig doel van de “evolutie”; tegen de wil om de scheiding tussen kerk en staat op te heffen waardoor je geen onderscheid meer zou kunnen tussen “artsen en oplichters, tussen academici en helderziende piskijkers”. Daartegenover stelt hij de sytematische twijfel van de wetenschap, hypothesen kunnen verworpen worden (methodologisch is dat zelfs het streven). De wetenschapper heeft de waarheid niet in pacht, hij kan alleen maar proberen stukje bij beetje verder te komen, en weer terug te vallen om opnieuw aan te zetten. En hij moet zich verantwoorden tegenover de gemeenschap.
De stukken zijn geschreven tussen 1999 en 2007. De eerste jaren van de 21ste eeuw vormen bij uitstek een periode waarin deze stellingname (én wetenschappelijke onderbouwing) meer dan actueel is. Als we niet uitkijken verliezen we onze cultuur en vervallen we tot een natuur waarvoor de buffels van de Serengeti (blz. 158) zich zouden schamen. Gelukkig hebben we bewakers van de kudde als Goldschmidt.
Vond je deze review nuttig? Ja (0) | Nee (0) | Ongepast?
Alle bestsellers
binnen 1 werkdag in huis!
Ga naar het hoofdmenu Ga naar het paginamenu Ga naar het begin van deze pagina