Wie schrijft is nooit alleen. In Nederland en België schrijven meer dan één miljoen mensen gedichten en verhalen. Veel beginnende schrijvers worstelen met de vragen: Hoe weet ik of het goed genoeg is wat ik schrijf? Waaraan kan ik mijn werk toetsen? Hoe kan ik mezelf corrigeren? Is schrijven te leren? Tot op grote hoogte wel. Talent kun je niet kopen, maar als het er is, kun je het ontwikkelen. Wie aanleg heeft en visie, kan zijn inzicht vergroten en technieken leren toepassen. Cees van der Pluijm (1954) behandelt op een speelse wijze de belangrijkste technische aspecten van het schrijven van gedichten en verhalen. Met honderden voorbeelden laat hij zien hoe Nederlandse en Vlaamse auteurs hun literaire teksten hebben vormgegeven.
Recensie(s)
Op prettige wijze krijgt de geinteresseerde leek een groot aantal termen en begrippen uit de literaire techniek voorgeschoteld. Rijm, ritme, jambe, metrum, symbolen in de poezie, vertelschema's, perspectief etc. De voorbeelden van 'hoe het moet' zijn zo goed gekozen, dat de lezer meteen beseft daar nooit aan te kunnen tippen. Maar het is een aangenaam studieboek met praktische werkopdrachten, waar je veel uit kunt opsteken. Deze tweede druk is een verbeterde en enigszins gemoderniseerde versie van de eerste uitgave die het begeleidingsmateriaal vormde van een Teleac-cursus uit 1993. Vooral de typografie is aanzienlijk verbeterd. Paperback; normale druk.<br/><br/>Nel van der Heijden-Rogier