Het levensverhaal van de priester-missionaris die op Irian Jaya in Indonesie in een diepe crisis raakte, maar zijn God en een nieuwe roeping terugvond.
Recensie(s)
NBD|Biblion recensie
Autobiografische schets van Jacobus van der Velden (1925-1997) over zijn werk (rond 1954) als missionaris in Nieuw Guinea, het huidige Irian Jaya. In dit persoonlijke verhaal vertelt hij op meeslepende wijze over zijn ervaringen. Jacobus (het boek is in de derde persoon geschreven) beschrijft zijn tochten door het dichte oerwoud en de moerassen en verhaalt van de vriendschappen die hij met de papoea's sloot. Er wordt hem niets bespaard en naast de malaria bezwijkt hij bijna aan een niersteenaanval. Zijn ervaringen met de kerk en de (volgens de auteur) gevoelloze rol die missie en bestuur in Nieuw Guinea vervulden, botsen steeds meer met zijn karakter. De persoonlijke conflicten (al op het seminarie miste hij vriendelijkheid) zouden zich in Nieuw Guinea slechts verergeren. Zijn vriendschap met een bekeerde Papoeavrouw wordt hem niet in dank afgenomen. Verbitterd keert hij de kerk de rug toe, ontmoet een zendeling en zal uiteindelijk enkele jaren later weer worden uitgezonden, maar nu voor de Gereformeerde Kerk. Dit voor een algemeen publiek zeer leesbare, postuum uitgegeven boek bevat twee door de auteur gemaakte kaartjes van het gebied en een korte biografie van de auteur.<br/>(Biblion recensie, Wim Visscher.)